ARQ&A: intergenerationeel trauma na oorlog en geweld

Expertiseteamleider Inez Schelfhout

Drie generaties op rij: zoon, vader en opa

Oorlog en vervolging kunnen langdurige psychische gevolgen hebben, niet alleen voor direct getroffenen maar ook voor volgende generaties. Het expertiseteam ‘Intergenerationeel trauma’ van ARQ biedt specialistische zorg voor volwassenen die behoren tot de naoorlogse generatie en last hebben van ernstig psychisch lijden als gevolg van wat (groot)ouders meemaakten tijdens WOII. 

Tijdens deze ARQ&A, met onze expertiseteamleider 'WOII en Naoorlogse generaties' Inez Schelfhout, gaan we in op hoe praktijkervaring en wetenschap elkaar kunnen versterken en wat dit betekent voor de toekomst van de behandeling van mensen die lijden onder intergenerationeel trauma na oorlog en geweld.

 

1. Kun je kort uitleggen wat het expertiseteam WOII en Naoorlogse generaties precies doet binnen ARQ en hoe draagt die specialisatie bij aan betere behandelresultaten? 

Het expertiseteam biedt specialistische diagnostiek en behandeling aan mensen die de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt, en aan hun volwassen (klein)kinderen bij wie deze geschiedenis doorwerkt in hun dagelijks functioneren en psychisch welzijn. 

Onze kracht ligt in het herkennen van intergenerationele processen: niet het trauma zelf wordt overgedragen, maar de overlevingsstrategieën die via de opvoeding en biologische processen invloed hebben op stresssystemen. Daarbij nemen we historische, culturele en maatschappelijke factoren mee die hebben bijgedragen aan hoe klachten en patronen zich ontwikkelden. 

Door de context expliciet te betrekken, ontstaat meer samenhang en richting in de behandeling. Klachten worden niet geïsoleerd benaderd, maar begrepen in relatie tot het familieverhaal, familiaire verhoudingen en de maatschappelijke context waarin iemand is opgegroeid in de naoorlogse periode. Dit kan bijdragen aan betere behandelresultaten, doordat erkenning en begrip voor de achtergrond beter aansluiten bij wat iemand nodig heeft in herstel. 

 

2. Wat zijn de belangrijkste actuele wetenschappelijke inzichten over intergenerationeel trauma bij de naoorlogse generatie, en hoe verschillen deze van de theorie over PTSS? 

Onderzoek laat zien dat intergenerationele gevolgen zich niet manifesteren als een apart, uniform syndroom. Trauma of PTSS wordt niet letterlijk overgedragen, en de naoorlogse generatie vertoont als geheel ook niet méér psychopathologie dan de algemene bevolking. Wat we wel zien, is een subgroep waarin kwetsbaarheid samenhangt met ouderlijke psychopathologie, gezinsdynamiek en ontwikkelingsprocessen (El-Khalil et al., 2025). 

De doorwerking verloopt met name via relationele en ontwikkelingsprocessen in samenhang met maatschappelijke factoren. Trauma en copingstijlen van ouders kunnen zich in volgende generaties uiten via gehechtheidspatronen, communicatie en familiedynamiek (Cacace & Summers, 2025). Daarnaast zijn er aanwijzingen voor veranderingen in stressregulatie op biologisch niveau, bijvoorbeeld via epigenetische mechanismen. Dit betekent niet dat trauma via DNA wordt overgedragen, maar dat ervaringen invloed kunnen hebben op de manier waarop stresssystemen zich ontwikkelen en functioneren. 

In de klinische praktijk zien we dat deze doorwerking zich uit in terugkerende thema’s zoals loyaliteitsconflicten, identiteitsvragen, spanning tussen nabijheid en autonomie, ernstige problemen in stressregulatie en communicatiepatronen van zwijgen of juist emotionele overspoeling. 

Het verschil met PTSS is fundamenteel. PTSS gaat uit van een directe traumatische gebeurtenis die iemand zelf heeft meegemaakt. Bij intergenerationeel trauma gaat het juist om indirecte doorwerking. Dat maakt het vaak minder zichtbaar en moeilijker te herkennen, terwijl het wel kan leiden tot een vergelijkbare activatie van het angstnetwerk. Dit vraagt om specialistische kennis om het goed te kunnen signaleren en behandelen.

 

Iemand kan ernstige lijdensdruk ervaren, terwijl dat op vragenlijsten nauwelijks zichtbaar is.

 

3. Welke rol speelt historisch-culturele context in de ontwikkeling van traumaklachten bij WOII-getroffenen en hun kinderen, en hoe nemen jullie dat mee in de behandeling? 

Hoe een samenleving omgaat met oorlog - bijvoorbeeld via zwijgen, heldendom, schaamte, uitsluiting of erkenning - beïnvloedt hoe gezinnen betekenis geven aan traumatische gebeurtenissen en wat er in de weg kan staan voor herstel. 

In de behandelkamer kan dat zichtbaar worden in hoe iemand zijn klachten presenteert. Iemand kan ernstige lijdensdruk ervaren, terwijl dat op vragenlijsten nauwelijks zichtbaar is. Bijvoorbeeld omdat klachten worden gebagatelliseerd vanuit loyaliteit naar getraumatiseerde ouders of omdat iemand weinig voeling heeft met de eigen binnenwereld. Ook zien we dat mensen zich terughoudend kunnen opstellen uit schaamte of angst om niet serieus genomen te worden. Langdurige maatschappelijke uitsluiting kan daaraan ten grondslag liggen. Denk aan mensen wiens familie heeft gecollaboreerd.  

We kijken niet alleen naar symptomen, maar ook naar patronen: hoe er in het gezin over de oorlog werd gesproken, welke impliciete familiecodes zijn ontstaan en hoe maatschappelijke erkenning of juist uitsluiting heeft doorgewerkt in het leven van de patiënt. En hoe deze patronen ook weer impliciet van invloed kunnen zijn op de intake en behandeling en de relatie met de therapeut. 

Intergenerationele gevolgen manifesteren zich bovendien verschillend afhankelijk van culturele kaders. Kinderen van verzetsdeelnemers, Joodse overlevenden, Indische repatrianten of ouders die collaboreerden, groeiden op in uiteenlopende maatschappelijke narratieven. Dat beïnvloedt het klinische beeld als het gaat over de beleving van emoties, identiteit, zelfbeeld, vertrouwen in instituties en hulpzoekgedrag. Als dit eenmaal goed in kaart is gebracht, kun je veel scherper een behandeling insteken. Hoe deze klinische beelden van elkaar kunnen verschillen en wat daarbij nodig is in de behandelkamer kun je teruglezen in onze Lexicon Voor de Zorg (WOII), te vinden op de website van ARQ. 

 

In mijn nachtmerries zie ik mijn vader als kleine jongen in het kamp en moet ik hem beschermen tegen de Japanse soldaat. 

 

4. Hoe herken je intergenerationeel trauma in de intakefase? 

Het begint al bij binnenkomst. Als intaker ben je op de hoogte van iemands achtergrond en alert op subtiele signalen in het contact. Bijvoorbeeld of iemand zich schuldig voelt om in de spreekkamer te zitten, het idee heeft geen recht te hebben op klachten, of zich sterk richt op het ‘goed doen’ in het contact met de behandelaar. 

Wat vaak opvalt, is dat er wel sprake is van duidelijke lijdensdruk en activatie van het stresssysteem, maar zonder een eigen traumatische gebeurtenis als directe aanleiding. Mensen beschrijven een diffuus gevoel van onveiligheid, moeite met autonomie of een sterke loyaliteit naar hun ouders. Tegelijkertijd worden klachten vaak gebagatelliseerd of moeilijk onder woorden gebracht, waardoor het formuleren van een hulpvraag in de intakefase lastig kan zijn. 

Daarnaast kunnen zogenoemde indirecte intrusies voorkomen: indringende beelden of gevoelens die verbonden zijn met het oorlogsverleden van een ouder, zonder dat iemand dat zelf heeft meegemaakt. ‘In mijn nachtmerries zie ik mijn vader als kleine jongen in het kamp en moet ik hem beschermen tegen de Japanse soldaat’. Deze ervaringen kunnen intens en persoonlijk aanvoelen, maar worden ook vaak als ‘niet van mij’ beleefd en kunnen daardoor verward worden met andere klachtenbeelden. 

Om deze patronen te begrijpen, onderzoeken we hoe er binnen het gezin over de oorlog werd gesproken – of juist gezwegen – en welke rollen iemand als kind heeft ontwikkeld. Klachten die zich presenteren als angst, depressie of hechtingsproblematiek blijken dan vaak geworteld in impliciete familiecodes, loyaliteiten en non-verbale vormen van overdracht. 

Vanuit die context worden de klachten vervolgens verder uitgevraagd en geordend volgens de reguliere diagnostische standaarden. 

 

5. Welke behandelvormen en therapieën blijken in de klinische praktijk het meest effectief, en waarom? 

Bij intergenerationeel trauma na oorlog zien we vaak een verstoring in de verbinding met het zelf en de ander. Er is sprake van een geactiveerd angstnetwerk, maar ook van leegte of vervreemding, vaak in een context waarin emoties lange tijd geen plek hebben gehad of zelfs als gevaarlijk werden ervaren. In een oorlog konden soms het uiten van emoties je dood betekenen. Kinderen krijgen die overlevingsstrategieën mee. Een stresssysteem dat blijft reageren op gevaar, ook wanneer daar in het hier-en-nu geen directe aanleiding voor is.

Om die reden werken we veel met multidisciplinaire groepstherapie. In de groep, gebaseerd op het interpersoonlijk model van Yalom, worden relationele patronen direct zichtbaar en bewerkbaar. Wat iemand gewend is om naar buiten te richten - voortdurend afstemmen op de ander - kan stap voor stap weer naar binnen worden gebracht. Door in contact met anderen te onderzoeken wat er van binnen gebeurt en waarom iemand zo reageert, of het ‘veilig’ is om je emoties te laten zien naar de ander, ontstaat de mogelijkheid om nieuwe ervaringen op te doen. Die directe, relationele vorm van exposure in het hier- en nu blijkt vaak bijzonder effectief. 

Dit kan ook individueel worden onderzocht en bewerkt in de relatie met de therapeut, waarin vergelijkbare patronen zichtbaar worden en bewerkt kunnen worden. 

Daarnaast zetten we traumagerichte therapieën in om het geactiveerde angstnetwerk te bewerken. Onderzoek laat zien dat trauma focused therapieën, zoals EMDR en imaginaire exposure, ook goed toepasbaar zijn bij indirecte intrusies en onderliggende overtuigingen bij intergenerationele overdracht. Daarbij werken we niet met een eigen traumatische herinnering, maar met zogenoemde imaginaire representaties, die een vergelijkbare of soms zelfs grotere emotionele lading kunnen hebben. 

Ook systemisch werken is een vast onderdeel van de behandeling, om overdrachtspatronen binnen families zichtbaar en bespreekbaar te maken. Mensen hebben vaak de hulpvraag dat ze graag de doorwerking willen veranderen naar hun eigen kinderen. 

De behandeling richt zich dus niet alleen richt op het verminderen van klachten, maar vooral op herstel van identiteit en het opnieuw leren onderscheiden wat van jezelf is en wat verbonden is aan de (getraumatiseerde) ouder.

Kortom; onze behandeling kenmerkt zich door een combinatie van traumagerichte, psychodynamische en systemische benaderingen, waarbij de intergenerationele context steeds leidend blijft.

 

Niet de burn-out bleek de kern van haar klachten, maar de manier waarop zij had leren overleven. 

 

6. Kun je een concreet voorbeeld geven van een casus waarin de behandeling een duidelijke impact heeft gehad op iemands hersteltraject, en wat maakte het verschil? 

Een vrouw van begin vijftig meldde zich met aanhoudende spanningsklachten, vermoeidheid en problemen in haar relaties. Ze had al meerdere behandelingen gehad voor burn-out en angstklachten, met wisselend effect. Zelf benoemde ze dat ze “altijd maar doorgaat” en moeilijk kan ontspannen, maar ze vond ook dat ze eigenlijk niet moest klagen. 

In de intake viel op hoe sterk ze haar klachten bagatelliseerde. Ze maakte zich zichtbaar klein in het contact, wilde het ‘goed doen’ en was voortdurend alert op hoe ze overkwam. Tegelijkertijd was er veel spanning in haar lichaam en een gevoel van onrust dat ze zelf niet goed kon verklaren. 

In het gesprek kwam naar voren dat haar vader de oorlog als kind had meegemaakt en daar nauwelijks over sprak. In het gezin was weinig ruimte voor emoties, maar wel een voelbare spanning en een impliciete verwachting om sterk te zijn en niet tot last te zijn. 

In de behandeling verschoof de focus van de burn-outklachten naar de onderliggende patronen. Zichtbaar werd hoe haar neiging tot pleasen, haar moeite met grenzen en haar schuldgevoelens samenhingen met een diepgewortelde loyaliteit en aanpassing aan het ouderlijk trauma. 

In groepsbehandeling kon ze deze patronen in het hier-en-nu gaan herkennen en voorzichtig doorbreken. Ze leerde haar eigen gevoelens serieuzer te nemen, ze uiten naar de ander en onderscheid te maken tussen wat van haar was en wat ze voor de ander telkens draagt. 

Dit leidde tot meer rust, meer ruimte om eigen keuzes te maken en meer wederkerigheid in relaties. 

Niet de burn-out bleek de kern van haar klachten, maar de manier waarop zij had leren overleven. 

  

7. Wat zie jij als de belangrijkste ontwikkeling of innovatie voor traumazorg voor directe en indirecte slachtoffers van oorlog in de komende 5–10 jaar? 

De aandacht voor intergenerationeel trauma en context specifieke zorg neemt toe, en dat is belangrijk. De kennis die wij hebben opgebouwd rondom WOII en de naoorlogse generatie is breder toepasbaar. Laten we elkaar bevragen en onderzoeken hoe dit werkt binnen andere culturen en deze kennis verankeren in de geestelijke gezondheidszorg en samenleving. Ik zie het ook als een belangrijk aandachtspunt binnen de BIG opleidingen. Therapeuten missen nu vaak tools als ze deze doelgroep voor het eerst gaan zien. Dat maakt onzeker omdat er geen specifiek protocol aan verbonden is en niet als stoornis staat omgeschreven in de DSMV. Het vraagt van therapeuten om te werken vanuit een ander kader: niet primair klacht- of protocolgericht, maar vanuit de context van intergenerationeel trauma. Door samen met de patiënt die context te verkennen, ontstaan de aanknopingspunten voor behandeling.