Zorgen zonder functiebeschrijving
Column van Kim Hopmans
Deze column schreef Kim Hopmans speciaal als wrap-up voor het symposium 'Hoe gaat het eigenlijk thuis?'
Het ging hier vandaag - tijdens de lezingen, de workshops – niet over de klap zelf, maar over de kringen eromheen. Over wat er gebeurt als trauma thuiskomt. Aan de keukentafel. In bed. In een straat. Niet als hulpverlener, maar als iemand die ernaast staat – en daar niet voor is opgeleid.
Ik moet gelijk denken aan het publiek bij een show, op de eerste rij.
Een goochelshow ofzo, of een striptease. Je staat daar omdat je dichtbij wilt zijn. En ineens krijg je iets in je gezicht geslingerd. Niet omdat je erom vroeg, maar omdat je staat waar je staat. Vooraan. Beschikbaar.
En soms is dat welkom, zo’n zweterig hemd van een Chippendale in je gezicht ;) Soms voel je je gezien. Betrokken. Nodig. Maar soms ook niet. Dan krijg je het alsnog voor je kiezen. En heb je misschien geen idee wát te doen, of hoe te reageren...
Toch is een ding zeker: je bent, op die eerste rij, een cruciale schakel. Dat leerde ik vandaag wel. De nieuwe ARQ Richtlijn raadt organisaties aan het thuisfront van medewerkers die iets ingrijpends meemaken actief te betrekken. Want: 'De familie en de sociale omgeving zijn een belangrijke steun voor een normaal verwerkingsproces.'
Ik schrok trouwens van wat Joris Haagen vertelde: dat 50% van de relaties aangeeft dat de gevolgen van Dutchbat 25 jaar na dato nog steeds dagelijks een rol spelen... shocking.
Ik ben een schrijver, dat is ongeveer het tegenovergestelde van een hoog-risicoberoep. Maar wat ik vandaag hoorde, herkende ik tot op zekere hoogte. Niet uit protocollen, maar uit mijn eigen leven. Want dat hele idee van ‘eerste kring’, het thuisfront. Dat is je buurvrouw. Je partner. Je kind. Je vriendin. Mensen om je heen die meedragen. Met steeds weer die vraag: als je dichtbij staat... waar eindigt betrokkenheid en begint verantwoordelijkheid? Een dunne lijn.
Ik zie het bij mijn buurvrouw Anne, ze is verpleegkundige. Overdag zorgt ze professioneel voor anderen, ’s avonds gaat diezelfde zorg gewoon door, maar dan onbetaald. Haar man heeft een hersentumor en MS, haar moeder werd plotsklaps hulpbehoevend, ineens draaide Annes leven om regelen, dragen, signalen, bij elkaar houden. Zij was altijd De Sterke. Niemand zag hoe zwaar het werd, tot ze tijdens een borrel ineens in tranen uitbarstte.
‘Wie zorgt er eigenlijk voor míj?’ zei ze. ‘Ik voel me zo alleen.’ Ik wist niet wat ik hoorde toen ze zei: ‘Als ik nu niet voor mezelf ga zorgen, gaat het mis. Dan ga ik ziek worden. Of ergens tegenaan rijden.’ Anne verloor steeds meer de regie over haar eigen leven, kreeg een burn-out en zit nu zelf in een zorgtraject.
Dit is natuurlijk niet precies hetzelfde als waar jullie mee werken – maar het mechanisme is volgens mij vergelijkbaar. Zo hadden we het eerder vandaag al over het Trauma-ripple-effect: de gevolgen van een traumatische gebeurtenis blijven niet beperkt tot de direct getroffene, maar verspreiden zich als rimpels in het water naar de omgeving. Diezelfde omgeving die oh zo belangrijk is om steun te bieden krijgt zelf de zwaarste klappen.
En zolang mijn buurvrouw Anne er niets over zei en ‘gewoon’ door buffelde, dacht iedereen dat het ‘wel prima’ ging. Ook háár naasten. Ze zagen het niet, of: wilden het niet zien. Want ja, als je het ziet... dan ‘moet’ je er iets mee.
Laatst was ik vet gehaast, te laat voor een afspraak, snel nog even een kind ophalen. Ik fietste op volle snelheid, maar zag uit mijn ooghoek iemand in slow motion van haar fiets vallen (gevalletje broekspijp vast in kettingkast). Niemand zág het; staarde op z’n telefoon of keek weg.
Shit! schoot heel even door mijn hoofd, ik had haaaast. Maarja, ik had het ook: gezien... En dus schoot ik te hulp. Het mooie was: ik kreeg haar broek pas los uit die kettingkast toen ik er nóg iemand bijhaalde. Een duidelijk geval van: samen staan we sterk. Hoe belangrijk die samenwerking is, hoorden we ook al in het voorbeeld van Carina: ‘Dagelijks even inchecken,’ zei ze. Maar ook: ‘Passende hulp zoeken, en vooral: doorduwen.’
En ook Maaike en Willem van Defensie lieten in hun inspiratiesessie het belang van het collectief zien, van samenwerken. Immers: als je het thuisfront versterkt, versterk je het hele systeem.
En voor dat thuisfront geldt... Alert blijven. Scherp op signalen. Op veranderingen in gedrag. Want ook bij een ‘grote, sterke kerel’ als Ferry kan de emmer een keer overlopen.
En tegelijkertijd moet je, op die eerste rij, in die smiezen houden dat dat het niet ten koste gaat van jezelf, je werk, je gezin, je sociale bestaan, je gezondheid, je eigen dromen. Balanceren, continu.
Onlangs sneuvelde de relatie van een dierbare vriendin, na heel veel jaar samen. Totaal onverwacht. Ze is in shock. Ik zie haar paniek en pijn. En wil het wegnemen. Ik zat er dicht op. Het raakt mij ook. Maar dit gaat niet over mij. Het gaat over haar. Over háár verdriet. En dus ben ik stand-by – live, aan de telefoon, waar nodig. Niemand is erbij gebaat als ik óók nog aandacht nodig heb. Bovendien is het druk; er hebben meer mensen steun nodig lately, die een moeilijke tijd doormaken, ik kom bijna schouders te kort om op uit te huilen. Geen klacht, wel de realiteit.
Deze week bracht ik mijn zoontje van negen naar bed. ‘Mama, je leest nooit meer voor ‘s avonds,’ zei hij beteuterd. ‘Jij moet altijd snel snel je werk afmaken, of wéér langs je vriendin, of weer bellen met iemand.’ Hij had zo gelijk. Ik was maar matig aanwezig.
Ondertussen golven ook bij mijn emoties en vragen door mijn lijf, ze kunnen nergens naartoe. Ik verbijt ze, want: mijn pijn is hier tweederangs. Daarbij groeit het knagende gevoel dat ik mezelf keihard voorbij hol – waarover ik me óók weer schuldig voel, want ja hallo, ik heb niets te klagen, ik moet juist sterk zijn.
Ik denk dat veel naasten dit herkennen: ruimte maken voor de ander, terwijl je zelf in de verdrukking raakt. Wat antwoordde Carina ff terloops toen Ine vroeg zij ermee omging? ‘Ik tel niet, zeg ik altijd maar.’
Treffend.
Dat is misschien ook waarom dit zo lastig is: zorgen voelt vanzelfsprekend, maar het is geen onuitputtelijke bron. Mijn vriend signaleerde mijn worsteling: ‘Gaat het?’ Vroeg hij tussen de bedrijven door. ‘Voor jou is het ook wel veel allemaal.’ Slik. Soms is het écht genoeg om gezien te worden, om erkend te worden. Interessant hoe dat werkt...
Vanmorgen nog, deed ik een lesje pump in de sportschool. Normaal is die klas vol en anoniem, maar vandaag waren we met een klein clubje. De instructeur is niet van de praatjes. Hij draait zijn programma af, wij doen hem na, weinig poespas, geen interactie. Zoals vaker deed ik maar half mee (je kunt je afvragen voor wíe ik dat toneelstuk opvoer, en voor wie ik überhaupt in die sportschool sta, maar ook daar gaat het vandaag gelukkig niet over). Waar het wél overgaat: ineens keek ‘de meester’ me recht aan. Hij knikte naar mijn halfbakken push-up-gemodder en schudde zijn hoofd.
Niet boos. Niet hard. Gewoon: hee jij – ik zie je. Ik voelde me betrapt.
Maar toch ook: gezien. En gek genoeg voelde ik me direct meer onderdeel van het geheel.
Misschien is dat waar sociale steun begint: niet bij oplossen, maar bij zien.
Niet bij fixen, maar bij erkennen en meedenken. Wie ziet de naaste?
Want in jullie geval: de mensen die het dichtstbij staan, dragen vaak het meest... in stilte. Wat we vandaag allemaal hoorden in richtlijnen en beleid, zie ik – in mijn laag risicoberoep en verdere leven – in het klein, dagelijks: zorg die doorsijpelt, zorg zonder uitklok, zorg die lief en goedbedoeld is – maar soms ook slopend.
Het telt, absoluut... maar het kóst ook.
Hoe begrens je dat? En wat heb je nodig om dat vol te houden?
Dat is precies waar organisaties verschil kunnen maken, hoorde ik vandaag: door niet alleen de medewerker te ondersteunen, maar ook degene die ernaast staat.
Wat wie is eigenlijk verantwoordelijk... De partner? Familie, vrienden? De collega? De leidinggevende? De organisatie? De buurvrouw? De pumpmeester? Of iedereen een beetje?
Zorgen zonder functiebeschrijving is geen individuele opdracht. Het is een gezamenlijke klus – van naasten, collega’s én organisaties. En soms begint die klus gewoon met iemand die zegt: hee jij, ik zie je.