Levensverhaal van Ati Luhulima-Mustamu
Over opgroeien in oorlog en vertrek uit Nieuw-Guinea
ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum en Stichting Pelita verzamelden de levensverhalen van vrouwen uit voormalig Nederlands-Indië die de Tweede Wereldoorlog en de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd van dichtbij meemaakten. Na de onafhankelijkheid bouwden velen van hen elders, vaak in Nederland, een nieuw leven op. Nu deze generatie verdwijnt, leggen we hun verhalen vast, zodat hun ervaringen en veerkracht bewaard blijven voor toekomstige generaties.
Hieronder het verhaal van Ati Luhulima-Mustamu, uit de serie Levensverhalen op het kruispunt.
Ati werd in 1939 geboren in Tual, op de Kei-eilanden, als tweede kind in het gezin. Het gezin groeide later verder uit: naast haar broertjes en zusjes werden ook drie pleegkinderen opgenomen. Haar vader werkte als onderwijzer en dominee, waardoor hij regelmatig werd overgeplaatst. Zo trok het gezin van standplaats naar standplaats en belandde uiteindelijk in Merauke, voormalig Nederlands-Nieuw-Guinea. Het gezin had het niet breed. Water en hout moesten dagelijks worden gehaald om te kunnen koken. In Merauke leek de oorlog in eerste instantie ver weg. Doordat de geallieerden er gestationeerd waren, was er voldoende voedsel. Toch waren er momenten van spanning: Japanse vliegtuigen vlogen over, soms vielen er bommen. Dan moest het gezin uitwijken naar het binnenland, naar binnenposten als Po Epe en Alatepi. Voor de kleine Ati betekende dat vooral lange voet- of prauwtochten naar school.
‘De kleintjes werden dan op de schouders van de oudere leerlingen gedragen, dwars door moerassen en rivieren.’
Na de Japanse capitulatie keerde het gezin terug naar Merauke. In december 1949 werd de soevereiniteit overgedragen aan Indonesië. Voormalig Nederlands-NieuwGuinea viel echter buiten deze overdracht en bleef onder Nederlands bestuur. De vader van Ati werd telkens naar nieuwe posten gestuurd, terwijl de kinderen bij hun tante in Merauke bleven om naar school te kunnen. Ati volgde de Europese Lagere School, waar ze te maken kreeg met pesterijen en discriminatie door kinderen van Hollandse militairen en ambtenaren.
Ondanks die omstandigheden wist Ati in 1955 haar lagere schoolexamen te halen. Middelbaar onderwijs was alleen in Hollandia (het huidige Jayapura, hoofdstad van Papoea) mogelijk, maar dat was te duur voor het gezin. Daarom begon ze op haar vijftiende met werken als administratief medewerker op het residentiekantoor in Merauke. Het waren drukke, maar ook levendige jaren. Regelmatig meerde er een marineschip aan en werden er feesten georganiseerd, waar werd gedanst, gezongen en gelachen.
‘Alle meisjes van kantoor werden uitgenodigd om te gaan feesten op het oranjebal.’
In Merauke leerde Ati ook haar man kennen. Hun leven kreeg echter plots een wending toen begin jaren 60 de politieke situatie verslechterde: Indonesische troepen namen steeds meer controle over Nederlands-Nieuw-Guinea en maakten het gevaarlijk voor iedereen die verbonden was aan het Nederlandse bestuur of de kortstondige, zelf uitgeroepen Republiek der Zuid-Molukken (RMS). Indonesische parachutisten landden en de ene na de andere familie vertrok. Ati’s man werkte voor de RMS, wat hen extra kwetsbaar maakte. Er gingen geruchten over arrestaties en gevangenissen. Toen een bekende haar vroeg of ze met een groep naar Nederland wilde reizen, aarzelde ze niet. Binnen een week moest ze haar spullen pakken, al mocht er maar weinig mee in de kleine kisten die waren toegestaan.
‘Tja, wat moesten we doen? Gewoon vertrekken en alles achterlaten.’
In 1962 stapte Ati, zwanger van haar eerste dochter, op het vliegtuig naar Nederland. Het was een lange reis met veel overstappen. Haar familie en man konden niet direct mee en volgden later per boot. Ati belandde na veel verplaatsingen uiteindelijk in Den Haag. Ondanks de koude winter en de kille ontvangst viel de overgang naar Nederland haar niet zwaar. Op het residentiekantoor had ze al veel met Nederlanders samengewerkt en hun manier van denken en doen leren kennen, waardoor ze zich snel aanpaste. Samen met haar man kreeg ze drie kinderen, waaronder een tweeling. Religie, meegekregen van haar vader de dominee, bleef altijd een belangrijk fundament. Ze voedde haar kinderen gelovig op, en allen deden belijdenis. Toen de kinderen naar de middelbare school gingen, ging ze weer aan het werk. Tot aan haar pensioen werkte ze in de keuken van een bejaardentehuis. Na het overlijden van haar vader werd haar moeder ziek, en heeft Ati tien jaar lang voor haar gezorgd.
'Ik laat de heer mijn leven leiden'
In 1995 keerde ze voor het eerst terug naar Indonesië, samen met haar familie. De reis bracht haar terug in Merauke. Alles bleek inmiddels veranderd: grote hotels stonden daar waar vroeger kennissen woonden. Ook keerde ze meermaals terug naar Ambon, waar nog altijd familie woont. Daar ervoer ze opnieuw de verbondenheid met haar Molukse wortels, waaronder het pelaschap – een eeuwenoude broederschapsband tussen dorpen.
De band met haar gemeenschap gaat nooit verloren, waar ze ook woont. In Nederland bleef Ati altijd contact houden met andere families uit voormalig Nederlands-Nieuw-Guinea. Er werden reünies georganiseerd en via Stichting Pelita vond ze lotgenoten en vrienden. Bij een speciale bijeenkomst voor bestuursambtenaren uit voormalig Nederlands-Nieuw-Guinea zag ze zelfs haar oude collega’s weer terug. Na het overlijden van haar man bleef Ati vol energie en betrokkenheid. Ze zoekt verbinding en zet zich in voor anderen. Vrijwilligerswerk, koersbal, sjoelen en korte uitstapjes of treinreizen door Nederland vullen haar dagen met betekenis en plezier.
‘Houd rekening met de medemens en geef je naasten liefde. Dan is het goed.’
Dit verhaal is onderdeel van het project Levensverhalen op het kruispunt, een samenwerking tussen ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum en Stichting Pelita. De foto’s zijn gemaakt door Elles Tuhusula.