Levensverhaal van Mimi Hol-Bierenbroodspot

Over veerkracht na verlies en verbonden blijven met je wortels

Levensverhaal van Mimi Hol-Bierenbroodspot
Mimi Hol-Bierenbroodspot. Fotografie: Elles Tuhusula

ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum en Stichting Pelita verzamelden de levensverhalen van vrouwen uit voormalig Nederlands-Indië die de Tweede Wereldoorlog en de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd van dichtbij meemaakten. Na de onafhankelijkheid bouwden velen van hen elders, vaak in Nederland, een nieuw leven op. Nu deze generatie verdwijnt, leggen we hun verhalen vast, zodat hun ervaringen en veerkracht bewaard blijven voor toekomstige generaties.

Hieronder het verhaal van Mimi Hol-Bierenbroodspot, uit de serie Levensverhalen op het kruispunt.

Mimi Hol-Bierenbroodspot werd op 10 juni 1935 geboren in Semarang. Haar vader werkte als boekhouder bij een handelskantoor dat suiker, thee en koffie naar Nederland verscheepte. Haar moeder zorgde thuis voor het gezin. Mimi groeide op in een warme omgeving en koestert liefdevolle herinneringen aan de baboe (Indonesische vrouw die in het huishouden voor de kinderen zorgde) en de djongos (Indonesische bediende).  

Toen de oorlog naderde, verhuisde het gezin naar Lawang. In het ziekenhuis van Malang werd haar broertje geboren. Schoollessen vonden plaats in een garage, geïmproviseerd met enkele schoolbanken. Als er gevaar dreigde, werd er op een ketongan (grote gong) geslagen. Op een dag namen de Japanners haar vader gevangen en voerden hem af naar de gevangenis. Later belandde hij in het interneringskamp Kesilir. Haar moeder en de kinderen vonden onderdak bij een kennis, mevrouw Westerhof, totdat ze in het open wijkkamp van Soerabaja terechtkwamen (een door de Japanners aangewezen wijk waar Europeanen verplicht bij elkaar moesten wonen onder toezicht). Later werden ze overgebracht naar het vrouwenkamp Halmahera, waar ze tot het einde van de oorlog geïnterneerd bleven.  

‘Op het appel probeerde ik doodstil te staan, zodat mijn moeder geen klappen kreeg.’  

Ondanks het verbod van de Japanners gaven nonnen stiekem les aan de kinderen in het kamp. Mimi herinnert zich hoe haar moeder een leerboek in de zoom van haar jurkje verborg en hoe een non die lesgaf gestraft werd. Als jong meisje voelde ze de machteloosheid: ze kon niets doen om het lijden van haar moeder te verlichten. Dat gevoel draagt ze haar hele leven mee – ze kan moeilijk verdragen wanneer naasten pijn hebben of wanneer er conflicten ontstaan binnen de familie. Ook het wereldnieuws grijpt haar aan. Tegelijkertijd maakt het haar een zorgzaam mens: ze voelt sterk mee met het verdriet van anderen en biedt graag steun.  

‘Ik vind het zo erg als je een mens of dier ziet lijden, en je kunt niks doen.’  

Het grootste verlies sloeg toe toen Mimi’s moeder plots ernstig ziek werd. Tijdens het appel hoorde ze diezelfde dag dat haar moeder was overleden. Mimi en haar broertje werden daarna opgevangen door mevrouw Westerhof. Hoewel zij goed voor de kinderen zorgde, voelde Mimi het verdriet dat niemand haar moeder kon vervangen. Toen de Japanse bezetting ten einde was, bezocht Mimi het graf van haar moeder. Pas toen drong het tot haar door dat ze er niet meer was. Haar moeder werd later herbegraven in de oorlogsgraven op Kalibanteng, in Semarang. Kort daarna sloeg de onrust van de Bersiap toe. Mimi werd ziek en opgenomen in het ziekenhuis, maar ook daar was ze niet veilig: Gurkhasoldaten haalden haar weg en brachten haar naar het Wilhelmina-opvangkamp in Singapore, waar ze verder werd verzorgd.  
 

Thuis bij Mimi Hol-Bierenbroodspot


Ik keek uit het raam en zag indonesische jonge mannen met bamboestokken, maar ik voelde totaal geen angst. Als kind kon ik het gewoon niet begrijpen.’ 

Mevrouw Westerhof kwam later ook naar het Wilhelmina-kamp. Het Rode Kruis vertelde Mimi dat haar vader nog leefde en bij haar broertje was. Mimi besloot niet mee te gaan: de angst om opnieuw iemand te verliezen hield haar tegen. Ze reisde daarna per schip naar Nederland.  

‘Het is fijn om van niemand te houden. Dat is het veiligste.’  

In Amsterdam woonde Mimi in bij haar oom en tante en ging naar de Montessorischool. Ze nam Indische waarden mee: vriendinnetjes konden altijd mee-eten, al was er soms maar één ei om te delen. Haar vader en broertje keerden later terug uit Indonesië, samen met een nieuwe stiefmoeder. Ze waren teleurgesteld dat Mimi niet naar hen was toegegaan. Haar vader sprak nooit meer over haar moeder en ze kreeg een halfbroer en -zus.  

Het gezin keerde nog terug naar Indonesië. Daar volgde Mimi de HBS en maakte ze de soevereiniteitsoverdracht mee. Het was nog een zeer onrustige tijd. Uiteindelijk vestigde ze zich definitief in Nederland, ditmaal bij een dominee die eerder zendeling was op Celebes (het huidige Sulawesi). Hier voelde ze zich begrepen.  

Op een jeugdvereniging ontmoette ze haar man. Ze werden verliefd en trouwden al snel. Hij werkte als onderwijzer, waardoor ze huisvesting kregen in Rijssen. Samen kregen ze vijf kinderen: vier jongens en één meisje. Ze woonden later in Zwolle, waar Mimi nu al zestig jaar woont. Af en toe bezoekt Mimi de masoek sadja’s van Stichting Pelita, waar ze verbondenheid voelt met de Indische gemeenschap. Ze keerde nog terug naar Indonesië om belangrijke plekken uit haar jeugd te bezoeken. Tien jaar geleden overleed haar man – een groot gemis.  

Ook nu blijft Mimi zorgzaam en veerkrachtig. Ze verzorgt met veel liefde haar kat Moos, die voor haar een baken van rust en warmte is, en haar de mogelijkheid geeft om liefde te blijven geven. Ook in kleine interacties op straat ziet ze het goede in de mens en maakt ze verbinding. Het verlies van haar moeder heeft ze haar hele leven gevoeld, waardoor ze een diepe betekenis voelt in het moederschap. Inmiddels heeft ze niet alleen kinderen en kleinkinderen, maar is ze zelfs betovergrootmoeder.  

‘Ik vind het heel mooi en ook heel zwaar om moeder te zijn. Ik moet zorgen dat mijn kinderen en Moos – die is aan mij toevertrouwd – het goed hebben.’ 

 

Dit verhaal is onderdeel van het project Levensverhalen op het kruispunt, een samenwerking tussen ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum en Stichting Pelita. De foto’s zijn gemaakt door Elles Tuhusula.