Levensverhaal van Heddy Walsarie Wolff-van Ligten

Over kampjaren, gezinshereniging en opnieuw beginnen

Heddy
Heddy Walsarie Wolff-van Ligten. Fotografie: Elles Tuhusula

ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum en Stichting Pelita verzamelden de levensverhalen van vrouwen uit voormalig Nederlands-Indië die de Tweede Wereldoorlog en de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd van dichtbij meemaakten. Na de onafhankelijkheid bouwden velen van hen elders, vaak in Nederland, een nieuw leven op. Nu deze generatie verdwijnt, leggen we hun verhalen vast, zodat hun ervaringen en veerkracht bewaard blijven voor toekomstige generaties. 

Hieronder het verhaal van Heddy Walsarie Wolff-van Ligten, uit de serie Levensverhalen op het kruispunt.

Heddy Walsarie Wolff-van Ligten werd geboren in oktober 1941 in Midden-Java. Haar vader werkte bij een handelspost, haar moeder gaf les en schreef voor de krant. Ze hadden een actief sociaal leven en zaten bij de padvinderij. Het was een onbezorgde kindertijd, die abrupt tot stilstand kwam met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.  

Ze verhuisde met moeder en oma naar Soerabaja, naar haar andere oma. In Soerabaja kwamen ze in het ‘Jappenkamp’ terecht, waar angst en strenge straffen diepe littekens achterlieten. Haar vader werd opgeroepen voor militaire dienst, krijgsgevangen gemaakt en gedeporteerd naar Japan, waar hij onder erbarmelijke omstandigheden in de mijnen moest werken. Na de Japanse capitulatie werden ze op transport gezet naar Batavia (het huidige Jakarta), naar het Indonesische kamp Kramat, waar ze nog meer wreedheden meemaakten. De kracht van haar moeder en oma gaf Heddy houvast. Haar oma boog nooit voor de Japanners, en hun positieve instelling en focus op het hier en nu hielpen hen door de donkerste tijden. Dit bleef haar leven lang een kompas.
 

Thuis bij Heddy Walsarie Wolff-van Ligten


‘Ik was van baby tot mijn vijfde jaar in het kamp. Als mijn moeder en andere vrouwen werden gestraft, moesten ze met een geweer boven hun arm op het plein staan – lieten ze het zakken, dan werden ze geslagen. Wij, ook als kinderen, moesten dat aanzien. Mijn oma nam me dan mee om me te troosten. Ze gaf me een djeroek bali (grote citrusvrucht), en maakte van de schil een bootje met een bamboestokje. Zo had ik even iets om mee te spelen en mijn gedachten te verzetten.’  

Pas jaren later werd het gezin herenigd met hun vader. ‘Wie is die vreemde man?’ dacht Heddy even, tot een dikke knuffel en kus alles weer vertrouwd maakten. De oorlog is in zijn hoofd nooit voorbijgegaan: over zijn ervaringen kon hij nauwelijks praten, en tot aan zijn dood werd hij ’s nachts wakker van de nachtmerries.

Toen haar vader terugkwam uit Japan, tekende hij voor beroepsmilitair bij het KNIL (Koninklijk Nederlands-Indisch Leger) als administratieve kracht. Het gezin trok van Batavia naar Bandoeng, waar in hun woonwijk de merdeka-strijd (de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd) woedde onder leiding van kapitein Westerling. Het werd te gevaarlijk rondom het huis. De middelen ontbraken om naar Nederland te vertrekken, maar ze konden wel naar het KNIL op voormalig Nederlands-Nieuw-Guinea. Daar woonden ze in Ifar, de gewezen militaire basis van de Amerikaanse generaal MacArthur. De huizen waren van golfplaten en stonden op palen. Hier volgden eindelijk veilige, gelukkige jaren in rust en de natuur. Het leven was eenvoudig: eten uit blik, zelf groenten verbouwen, jagen in het oerwoud en zwemmen in de kali (rivier).

‘Nieuw-guinea was in 1950 echt nog een oerland, een paradijs. Geen oorlog, geen zorgen, geen geweergeluiden in de straat.’

‘Nieuw-guinea was in 1950 echt nog een oerland, een paradijs. Het binnenland was nog niet in kaart gebracht. Daar woonden nog koppensnellers (stammen bij wie hoofdjacht destijds deel uitmaakte van rituele tradities). Er waren paradijsvogels en we woonden naast het oerwoud. Geen oorlog, geen zorgen, geen geweergeluiden in de straat.’

Heddy volgde haar lagere school op Java en voormalig Nederlands-Nieuw-Guinea, waar ze alles leerde over Nederland – de topografie, geschiedenis en liederen uit de bundel Kun je zingen, zing dan mee. Over Nederlands-Indië zelf werd echter weinig verteld. In 1953 verhuisde het gezin per vliegtuig naar Nederland, zodat de kinderen daar hun middelbare school konden volgen. Ze kwamen eerst in een pension in Wassenaar terecht en kregen daarna in een flat in Rijswijk. Heddy sloot zich aan bij de padvinderij, iets wat haar veel vreugde en houvast bood in het nieuwe land. Soms kreeg ze te maken met discriminerende opmerkingen, maar gelukkig vond haar familie ook warmte bij lieve Hollandse buren.  

Haar loopbaan laat zien hoe ze zichzelf telkens opnieuw wist uit te vinden: ze begon als biochemisch analist bij TNO, werkte later in de geologie bij Shell, maar vond uiteindelijk haar roeping in het onderwijs. Als docent Nederlands NT2 gaf ze 25 jaar les aan buitenlandse werknemers met 35 verschillende talen. Na haar pensionering volgde ze een opleiding voetreflexologie. Leren en ontwikkelen is voor haar iets wat nooit ophoudt. Samen met haar man voedden ze hun kinderen Indisch op. Hun huis staat altijd open; iedereen kan aanschuiven voor het eten. Kleinkinderen en hun vrienden leren er koken, maar bovenal leren ze wat gastvrijheid betekent. Beleefdheid, openheid en respect voor verschillen – dat zijn waarden die zij van generatie op generatie doorgeeft.

‘De kracht van mijn oma, mijn moeder en mij: we leven nu, niet gisteren. Dat is geweest allemaal. En morgen zien we dan wel weer. Geniet van het moment, van de vogels, de planten en de mensen om je heen. Niet te veel denken aan de nare dingen die zijn gebeurd. De oorlog is een gesloten boek – soms gaat het open, maar meestal zijn we er niet mee bezig.’

 

Dit verhaal is onderdeel van het project Levensverhalen op het kruispunt, een samenwerking tussen ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum en Stichting Pelita. De foto’s zijn gemaakt door Elles Tuhusula.