Levensverhaal van Mady Schoenmaker-Ament
Over opgroeien als buitenkamper, telkens verhuizen en toch een thuis opbouwen
ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum en Stichting Pelita verzamelden de levensverhalen van vrouwen uit voormalig Nederlands-Indië die de Tweede Wereldoorlog en de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd van dichtbij meemaakten. Na de onafhankelijkheid bouwden velen van hen elders, vaak in Nederland, een nieuw leven op. Nu deze generatie verdwijnt, leggen we hun verhalen vast, zodat hun ervaringen en veerkracht bewaard blijven voor toekomstige generaties.
Hieronder het verhaal van Mady Schoenmaker-Ament, uit de serie Levensverhalen op het kruispunt.
Mady Schoenmaker-Ament werd geboren in 1940 in Malang (Java), als middelste van drie kinderen. Haar vader werkte als planter op een theeonderneming, haar moeder runde het huishouden. Toen Japan in 1942 Nederlands-Indië binnenviel, veranderde hun leven voorgoed. Haar vader werd krijgsgevangen genomen en tewerkgesteld aan de Pakanbaru-spoorlijn. Haar moeder wist de kinderen buiten het kamp te houden door te doen alsof ze besmettelijke ziektes hadden. Mady herinnert zich hoe haar dagelijks leven werd bepaald door waar ze wel of niet mocht buitenspelen, en door abrupte verplaatsingen. Als buitenkampers trokken ze van plek naar plek; soms woonden ze met wel tachtig mensen in één huis.
‘We gingen steeds van het een naar het ander, dus daar waar je familie was: dat was je thuis – dat hing niet af van de muren om je heen. Muren waren er soms niet eens.’
Pas in juni 1946, een jaar na de Tweede Wereldoorlog, zagen ze hun vader terug. Hij voorzag dat de onrust zou aanhouden, dus stuurde hij het gezin vooruit naar Nederland in 1947. Zelf bleef hij achter, in dienst van het leger. Kort daarna keerde het gezin terug, toen het tijdelijk rustiger werd. Voor Mady betekende dat echter opnieuw een breuk: ze werd ondergebracht bij familie in Batavia (het huidige Jakarta) om naar school te gaan. Daar werd ze geconfronteerd met vijandigheid tegenover alles wat Nederlands was – op straat werd ze bespuugd.
In 1952 vertrokken de drie kinderen definitief naar Nederland, terwijl hun ouders nog in Indonesië bleven. De bootreis bracht vreugdevolle herinneringen, vol dansavonden en spelletjes, maar eenmaal aangekomen volgde opnieuw verspreiding: elk kind werd op een ander adres ondergebracht.
Voortdurende wisselingen van woonplaats en school maakten het voor Mady lastig om zich te hechten. Vriendschappen uit die periode zijn er dan ook niet: telkens moest ze afscheid nemen en opnieuw beginnen. Dit dwong haar om al op jonge leeftijd zelfstandig te worden en zich snel aan te passen aan nieuwe situaties, soms door zichzelf weg te cijferen. Relaties onderhouden en zich kwetsbaar opstellen is altijd lastig gebleven, omdat ze heeft geleerd dat mensen komen en gaan.
‘Ik kan makkelijk, en soms té makkelijk, loslaten.’
De middelbare school volgde ze in Den Haag, in de kost bij familie. Ze miste haar ouders en had slechts schriftelijk contact met hen. Pas in 1956 werden ze herenigd, waardoor ze voor het eerst rust en stabiliteit ervoer. Na de MULO (destijds voorloper van de MAVO) begon ze aan een opleiding tot kleuterleidster, maar belandde via een vakantiebaan bij het bedrijf waar haar vader werkte. Daar voelde ze zich niet thuis, dus besloot ze als au pair naar Engeland te gaan – een moedige stap om haar eigen weg te zoeken. Terug in Nederland werkte ze korte tijd als kleuterleidster, maar vond uiteindelijk haar plek bij de ANWB, waar ze jarenlang met plezier werkte.
‘Heimwee had ik niet, want ik was al zo vaak weggeweest van huis.’
Na een leven vol verplaatsingen, verlies en opnieuw beginnen, bouwde ze uiteindelijk haar eigen thuis. Met haar man kreeg ze twee kinderen, voor wie ze de stabiliteit wilde bieden die zij zelf had gemist. Ze stopte met werken, maar bleef actief via vrijwilligerswerk op de scholen van haar kinderen. Zorgzaam en betrokken zijn, werd haar manier van betekenis geven aan het leven. Haar moeder overleed jong, toen Mady 24 jaar was. Dat verlies liet niet alleen leegte achter, maar ook vragen over de oorlogsjaren. Haar vader sprak liever over de lichte kanten van die periode. Pas veel later vond ze een ingang tot haar Indische identiteit via een cursus Indische literatuur, waarin het werk van haar overgrootvader P.A. Daum uitgebreid aan bod kwam. Het was een belangrijk besef dat zijn verhalen onderdeel waren van de Indische geschiedenis. Sindsdien verzamelde ze zijn boeken en andere werken over Nederlands-Indië. In die verhalen herkende ze steeds meer stukken van haar eigen leven als buitenkamper – tastbaar bewijs van een geschiedenis waarin ook zij een plek had.
‘Ik haal mijn bestaan uit boeken. Door het te lezen begreep ik pas dat het echt zo was.’
Een belangrijk keerpunt kwam toen Mady gevraagd werd om op 15 augustus, tijdens de Indiëherdenking, te spreken als buitenkamper. Ze hoefde daar geen moment over na te denken. Voor het eerst voelde ze erkenning voor haar verhaal, voor een perspectief dat lang onbesproken was gebleven. Die ervaring gaf haar het gevoel ergens bij te horen. Ze raakte jarenlang intensief betrokken bij Stichting Indië Monument in Deventer. Zo gaf ze het verleden betekenis en zette ze zich actief in voor herinnering en gemeenschap.
‘Ik voelde ineens: ik hoor daar, ik ben onderdeel van dit verhaal, ik ben Indisch! Een soort her- en erkenning van wie ik ben.’
Ze keerde nog eens terug naar Indonesië, maar het land waar zij is opgegroeid, herkende ze niet meer terug. Haar gevoel van thuishoren vindt ze eerder bij de Molukse gemeenschap in Nederland, waar warmte, gedeelde herinneringen en gastvrijheid samenkomen.
Dit verhaal is onderdeel van het project Levensverhalen op het kruispunt, een samenwerking tussen ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum en Stichting Pelita. De foto’s zijn gemaakt door Elles Tuhusula.