Levensverhaal van Marjoke Verschoor

Over opgroeien in Japanse kampen, trauma en herstel

Levensverhaal van Marjoke Verschoor
Marjoke Verschoor. Fotografie: Elles Tuhusula

ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum en Stichting Pelita verzamelden de levensverhalen van vrouwen uit voormalig Nederlands-Indië die de Tweede Wereldoorlog en de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd van dichtbij meemaakten. Na de onafhankelijkheid bouwden velen van hen elders, vaak in Nederland, een nieuw leven op. Nu deze generatie verdwijnt, leggen we hun verhalen vast, zodat hun ervaringen en veerkracht bewaard blijven voor toekomstige generaties.

Hieronder het verhaal van Marjoke Verschoor, uit de serie Levensverhalen op het kruispunt.

Marjoke Verschoor werd geboren in 1938 in Palembang (Sumatra), als dochter van twee Nederlandse ouders die vanwege de handel in Nederlands-Indië woonden. Kort na haar geboorte verhuisde het gezin naar Celebes (het huidige Sulawesi). Ze voelde zich als kind soms buitengesloten door de hechte band tussen haar moeder en zus. Veiligheid vond ze vooral bij haar vader en het kindermeisje. Toch herinnert ze zich haar vroege jeugd als een fijne tijd, vol buitenspelen, dieren en natuur.  

De Tweede Wereldoorlog brak uit toen Marjoke vier jaar was. Het gezin vluchtte naar Java en woonde enige tijd in afgelegen bergdorpen. Haar vader was reserveofficier en werd opgeroepen voor het leger. Vanaf dat moment moest het gezin zonder hem verder; lange tijd wisten ze niet of hij nog leefde. Uiteindelijk kwam het gezin terecht in een beschermde wijk in Malang, waar ze met veel mensen samenwoonden. Toen Marjoke ziek werd en naar het ziekenhuis moest, werd ze op de terugweg seksueel misbruikt door twee Japanse soldaten. Ze kon er thuis niet over praten en de herinnering raakte diep weggestopt.  

‘Ik geloof dat herinneringen pas naar boven komen als je er klaar voor bent. Ik heb later twee zoons gekregen. Als ik me toen alles had herinnerd, had ik het misschien heel zwaar gevonden.’  

Niet lang daarna belandde het gezin in het Japanse interneringskamp Lampersari. Haar moeder en zus moesten op het land werken, terwijl Marjoke binnen moest blijven. Ze verstopte zich onder het matras, lag op de ziekenboeg of moest wachthouden. Ze zag met eigen ogen de wreedheden van de bezetters. Ze herinnert zich de angst om verkeerd te buigen, omdat dit straf zou betekenen voor haar moeder.  

Toch kende ze ook momenten waarop ze even kind kon zijn in het kamp. Ze speelde met andere kinderen, vaak in gehurkte houding – een houding die ze altijd is blijven associëren met veiligheid. Later maakte ze er beeldjes van. Ze had grote bewondering voor de nonnen in het kamp en hun toewijding aan God. Van hen kreeg ze stiekem schrijfles in het zand. De dag van de bevrijding staat haar nog helder bij: het zingen van het Wilhelmus. Tot op de dag van vandaag raakt ze geëmotioneerd bij het horen van het volkslied.  

Tijdens de daaropvolgende Bersiap moest het gezin opnieuw vluchten, soms rennend door kampongs met gewapende Indonesiërs achter zich aan. Ze werden op dat moment door Japanners beschermd en naar het Tjideng-opvangkamp gebracht, waar ze hun vader terugzagen. Hij bleek meerdere keren gevangen te zijn genomen en nog maar net aan de dood te zijn ontsnapt. Een lange periode had hij dwangarbeid verricht aan de Pakanbaroe-spoorweg. Zijn terugkeer bracht haar voor het eerst weer rust.  
 

Thuis bij Marjoke Verschoor


In 1946 vertrok Marjoke samen met haar moeder en zus naar Nederland en trok in bij haar grootouders. Haar vader werkte voor het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) en was maar af en toe thuis. Ze miste hem enorm, net als haar geliefde kindermeisje dat ze nooit meer terugzag. Op de lagere school werd ze gepest en gediscrimineerd, wat leidde tot nachtmerries. Op de meisjesschool en tijdens haar studententijd vond ze voor het eerst echt aansluiting. Ze werd actief in een studentenvereniging en zette zich in voor buitenlandse studenten.  

Het trauma van het misbruik kwam pas veel later aan de oppervlakte. Tijdens een medische ingreep onder narcose sprak ze er onverwacht over, terwijl ze zich er bij bewustzijn niets van herinnerde. De arts raadde haar psychologische hulp aan. Het bleek een bevrijdend moment. Jarenlang begreep ze zichzelf niet helemaal. Ze voelde zich somber en kreeg vaak te horen dat ze ‘klaaglijk’ klonk. Pas toen ze haar verleden onder ogen kwam, veranderde haar stem – letterlijk en figuurlijk.  

‘Je kan het slachtofferschap afleggen als je verwerkt wat je hebt meegemaakt. Dan kan je weer gewoon een heel sterk mens zijn.’  

In therapie, bij een psycholoog die zelf ook kampkind was, ontstond het idee voor lotgenotengroepen. Ze richtte praatgroepen op voor vrouwen die als kind in Japanse interneringskampen hadden gezeten. Onder haar vrijwillige leiding groeide dit uit tot de landelijke vereniging KJBB (Kinderen uit de Japanse Bezetting en Bersiap), later uitgebreid met groepen voor buitenkampers, mannen, tieners en jonge kinderen. Daarnaast bleef ze zich inzetten voor het versterken van vrouwen via vrijwilligerswerk.  

‘Door verhalen te horen en te beleven van andere vrouwen kan je je eigen verhaal ook weer een plek geven. Je helpt nooit een ander, zonder ook jezelf te helpen.’  

Geloof speelt een belangrijke rol in haar leven, en daarin zoekt ze haar eigen weg. De basis werd gelegd door de nonnen in het kamp. Dagelijks bidt en mediteert ze, waarbij ze inspiratie haalt uit zowel het christendom als het boeddhisme.  

‘Terugkijkend heb ik een heel mooi leven gehad, en ik ben dankbaar dat ik dit leven heb mogen leven. De oorlog maakt daar deel van uit. Ik ben niet dankbaar dát ik het heb meegemaakt, en ik hoop het nooit meer mee te maken, maar het heeft me wel gevormd tot de vrouw die ik nu ben.’ 
 

Dit verhaal is onderdeel van het project Levensverhalen op het kruispunt, een samenwerking tussen ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum en Stichting Pelita. De foto’s zijn gemaakt door Elles Tuhusula.